Binnen

Het is weer winter. Daar houd ik van.
De dag is kort en de wereld weer klein en overzichtelijk. Het diafragma is net lang genoeg open om me een blik op de wereld te gunnen en gaat dan op tijd weer dicht. Dan verdwijnt het licht en maakt plaats voor de beschutting en de beslotenheid van het donker. De gordijnen kunnen op tijd dicht en de wereld is dan weer veilig buiten. Dan maak ik mijn eigen licht door de lampen aan te draaien. Dan ben ik de baas over licht en donker, want als ik wil dan doe ik alles uit. Af en toe probeert de wereld nog binnen te komen, dan rukt hij aan het huis. De pannen ratelen en klapperen, maar er kan niks gebeuren, want mijn huis is sterk en staat er al zeker honderd jaar.
Ook over warmte en kou ben ik nu de baas, want ik heb een kachel en een thermostaat die ik naar believen hoog of laag kan zetten. Meestal zet ik hem hoog, want ik hou van warme voeten. Alleen als ik in mijn bed lig doe ik hem lager, want ik heb een heleboel dekens en die kan ik tot over mijn oren om me heen trekken, zodat alleen mijn gezicht nog buiten de dekens is.
De winter is net begonnen en duurt nog lang. Dat is fijn. Het wordt wel weer lente, maar nu nog niet.

Geplaatst in verhaal | Een reactie plaatsen

De Twijfelaar

Er was eens in een land hier ver vandaan een man die aan alles twijfelde. Gelukkig was het land ver van hier, want een man die aan alles twijfelt, wil je absoluut niet in de buurt hebben.
Deze man woonde dus erg ver weg en hij twijfelde aan alles. De meesten van ons twijfelen wel eens, maar dan meestal aan de grote vragen van het leven. Of god wel bestaat bijvoorbeeld en of het leven eigenlijk wel zin heeft, dat soort grote twijfels. Maar deze man twijfelde niet alleen aan het bestaan van god of de zin van het leven, maar aan elk klein dingetje. Dat begon ’s morgens al wanneer hij net wakker werd. Het eerste wat hij dan dacht was: “Zal ik nou met mijn linker- of mijn rechterbeen uit bed stappen?” Minutenlang lag hij dan in bed te twijfelen. Dan dacht hij eerst “links” en maakte aanstalten om met dat been uit bed te stappen, maar dan dacht hij daarna “nee, rechts” en dan bewoog hij zijn andere been. Zo lag hij dan een poosje zijn ene been na het andere te bewegen, maar tot een besluit kwam hij niet. Dat duurde dan totdat zijn vrouw, die het gewriemel met de benen al weer lang zat was, riep: “Links” (of rechts, net zoals haar pet stond) en dan stapte hij uit bed.
En zo ging het dan verder: nadat hij opgestaan was, twijfelde hij of hij zijn sloffen aan zou trekken of niet, of hij wel of niet zou ontbijten, en of hij zijn tanden zou poetsen (en als hij dan op aandringen van zijn vrouw zijn tanden ging poetsen of hij dan onder of boven zou beginnen). Bij elke handeling had hij wel zo zijn twijfels. Zijn vrouw maakte trouw steeds weer de beslissing voor hem. Al heel lang geleden had ze een hoop zaken waarover getwijfeld kan worden uit het leven gebannen. Zo stond er door de weeks alleen een boterham en een pot pindakaas op tafel bij het ontbijt, opdat hij zich nooit zou hoeven afvragen of hij niet toch een boterham met hagelslag zou eten, of een beschuitje met kaas.
De vrouw van de twijfelaar was hem zeer toegewijd en hielp hem de dag en eigenlijk zijn leven door te komen. Telkens maakte zij de keuzes voor hem die hij maar niet kon nemen. Ze was redelijk tevreden met dit leven, maar had één groot verdriet: ze had geen kinderen. Dat kwam om dat ze het absoluut niet passend vond om haar man te helpen twijfels te overwinnen die voor haarzelf voordelig waren. Ze vond dat ze in het in ieder geval verdiende dat zijn liefdesbetuigingen helemaal vanuit hem kwamen. En zo kwam het er dus eigenlijk nooit van.

Zo leefden ze hun leven en waren er ondanks alles redelijk tevreden mee. Totdat op een droeve zondagmorgen de vrouw tijdens het ontbijt (croissantjes met jam op zondag) plotseling naar haar hart greep, even heel verbaasd keek en toen voorover met haar hoofd in de jam viel. Onze twijfelaar zat als verstijfd aan het ander eind van de tafel. Hij wist niet wat hij moest doen. Zou hij eerst de dokter bellen of direct de begrafenisondernemer, want dat zijn vrouw zojuist was overleden zag hij wel. Vol twijfel bleef hij als vastgenageld op zijn stoel zitten. Wat zou hij doen? Hij wist het niet. Normaal gesproken zou zijn vrouw hem al lang gezegd hebben dat hij op moest staan en de dokter bellen (of de begrafenisondernemer), maar om voor de hand liggende redenen kon ze dat niet meer doen. Roerloos bleef hij op zijn stoel zitten, zich van alles afvragend, maar door de twijfel niet in staat om iets te doen. En zo bleef hij zitten, uren, dagen, weken. Twijfelend, zich afvragend wat het beste is. Allerlei gedachten spookten door zijn hoofd, maar hij kon er geen gevolg aan geven. Uiteindelijk na weken bleef éen gedachte steeds weer boven komen. Een gedachte waar hij geen antwoord op kon verzinnen, maar die hem bleef kwellen tot zijn laatste snik. Als een mantra gonsde steeds maar weer door zijn hoofd: Is dit leven?

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor De Twijfelaar

Liedje

Het gebeurde toen ik ’s avonds in het donker in de auto over een stille provinciale weg reed. Het was mistig, ik reed langzaam. Uit de autoradio klonk een Frans liedje en ik werd op slag verliefd op de zangeres. Het was al een oud liedje, opgenomen ergens in de jaren zestig. De melodie zwierf heel subtiel van majeur naar mineur en loste aan het eind van een strofe niet op, maar eindigde in een vraag. En ik wist dat de zangeres altijd alleen was en mooie, eenzame ogen had en dat ze elke dag eindeloos door de velden zwierf, dat ze een groot en onvervulbaar verlangen had en dat ze vaak aan de dood dacht. En ik wist dat ze al heel jong op droevige wijze gestorven was en ergens op een kerkhof in een klein Frans dorpje haar graf heeft. Niemand komt er ooit.
Ik denk dat ik deze zomer naar Frankrijk ga. Dan ga ik dat kerkhof zoeken; ik wied het onkruid rond het graf, veeg de verweerde steen schoon en leg er wat bloemen neer.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Liedje

Fout

Eigenlijk zou er alleen in de winter gestorven moeten worden. Dat is de goede tijd. Het licht is laag en grijs. De dag blijft netjes ingekaderd binnen een hoop nacht en er is geen afleiding van al te veel lichtheid en vrolijkheid. De winter is een goede tijd om te rouwen.

Mijn vriend stierf toen het zomer was en dat klopte niet. Het was warm en zonnig; een dag om te gaan zwemmen in de Hoornse plas. Er was veel te veel licht. Buiten stond een vrachtwagen met draaiende motoren en uit het geopende raam klonk Abba. Het was volkomen verkeerd. Er gebeurde iets wat niet hoorde, niet op dat moment, op die prachtige dag.
 Maar het gebeurde toch.

Pas in de winter kwam de troost.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Fout

De piemelhond

Bij ons het in dorp wonen mensen met een verbazingwekkende hond. De hond heeft hele korte poten en een enorme piemel die bij het lopen schaamteloos heen en weer zwaait. De pootjes zijn zo kort en de piemel zo lang, dat deze steeds met de punt over de grond schuurt.
Dat lijkt me niet gemakkelijk voor de hond. Hij kijkt er in ieder geval erg treurig bij, want zijn oren zijn ook lang en zijn oogleden zakken wat naar beneden. Een erg trieste hond.

En ik bedenk me dan: wat een treurigheid; elke dag ’s morgens en ’s avonds over straat met je te lange piemel schurend over de stoeptegels. Het duurt best een hele tijd voor je bij een grasveldje bent, waar je dan eindelijk even vrijuit kunt lopen met je piemel door het zachte gras. En dan weer terug over het ruwe asfalt, totdat je thuis eindelijk je schrijnende geval in de hondenmand kunt leggen.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor De piemelhond

Veel

Het overviel hem op zaterdagochtend in de plaatselijke Albert Heijn tijdens het ritueel van het boodschappen doen. (Twee boodschapkratten in het karretje, eentje bovenop en eentje op het rekje onder. Dat is handig, want dan kun je de inhoud na de lopende band bij de kassa zo weer in het krat flikkeren en dan achter in de auto.) Ergens tussen de schappen met de pastasoorten raakte hij ineens volkomen mismoedig. Het was alsof de zwaartekracht plots harder aan hem trok en het veel moeilijker was om zichzelf overeind te houden. Hij liet zijn schouders hangen en stond minutenlang stil te staren naar de zakjes met macaroni. Hij kwam weer in beweging toen een vrouw enigszins geërgerd zijn karretje dat haar de weg versperde opzij duwde en hij een stap opzij moest doen om haar er langs te laten. De vrouw boog zich voorover naar het schap en begon systematisch pastasoorten in haar karretje te gooien. Ze begon links op de bovenste rij en werkte zigzaggend alle rijen af, totdat ze van elke soort een exemplaar in haar wagentje had. Toen ze klaar was en zich oprichtte keek ze hem even aan en glimlachte verontschuldigend. En ineens wist hij dat zijn mismoedigheid en haar absurde actie dezelfde oorsprong hadden.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Veel

Slap

Toen ik laatst in een spiegel, die plat op een tafel lag naar mezelf keek, zag ik het: mijn gezicht hangt. De zwaartekracht heeft ontegenzeggelijk vat gekregen op mijn wangen en lippen. Als ik mezelf voorovergebogen in de spiegel bekijk dan hangt het allemaal heel vreemd naar beneden. Het is geen gezicht.

Als Narcissus zo rond zijn zestigste in de vijver zou hebben gekeken dan was een narcist nu iemand met een grote mate van afschuw van zichzelf en de naam narcis was dan aan een vormeloze paddestoelensoort gegeven. Aan de andere kant: Hij was waarschijnlijk helemaal niet verdronken, omdat hij geen enkele aanleiding zou hebben gehad zijn spiegelbeeld te kussen.

Nee, ik zal het de komende tijd dan echt van mijn levenservaring en mijn wijsheid moeten hebben. En bij het vrijen gaat mooi het licht uit.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Slap

Nostalgie

Mijn verleden is mooier dan mijn heden. Niet noodzakelijk nu, maar altijd. Ik bedoel dat gebeurtenissen achteraf altijd mooier, betekenisvoller blijken. Op het moment zelf ervaar je de dingen zoals je alles aanvaardt wat dagelijks op je pad komt. Pas achteraf bedenk je hoe belangrijk of hoe intens of hoe betekenisvol het was. Wij geven zin achteraf.

Dit is ons lot, dat we ons leven aan ons voorbij laten trekken en achteraf denken: “Shit, ik wou dat ik er bij was geweest”

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Nostalgie

Hart

Zo’n 14 jaar geleden schreef ik het, vandaag vond ik het terug:

Vandaag fiets ik met mijn dochter van 8 naar school. Het is herfst op het Groninger land, de akkers waar we langs fietsen zijn zwart omgeploegd en het waait hard. Ze haat fietsen tegen de wind in. Ze trekt haar schouders op en haar gezicht staat op onweer.
Ineens waait de boosheid van haar gezicht. Dan zegt ze: “Weet je, de wind kan overal bij, behalve bij mijn hart”. Ze pauzeert even en zegt: “Mooi he…!”

Dank, dank, dank

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Hart

Fragilis

De zon kwam op en in het vroege licht
Lag daar volmaakt en ongedeeld: het land.
Wat flarden mist maar verder niets
Dan eindeloos en uitgestrekt verlangen

Maar dan onthulde zich de einder en een stad,
Bleek het land niet onbegrensd.
En in het groeiend licht hadden wij een bang vermoeden:
Dit is alles wat ooit zal zijn.

De mist trok op en ons restte slechts
een geur van nat en groen en spijt
En het idee dat wat wij zoeken en verwachten
eeuwig onbereikbaar blijft.

En wij, gebroken en verdeeld, wij gingen verder
Steeds weer zoekend wat wij reeds bezitten.

Geplaatst in gedicht | Reacties uitgeschakeld voor Fragilis

Engelen

En weer had hij een engel gezien. Deze zat in de bus die net voorbij reed. Ze had hem aangekeken en even naar hem geknikt, toen was de bus alweer voorbij.
De laatste dagen zag hij steeds vaker engelen op de meest uiteenlopende plaatsen. Een paar dagen geleden was het begonnen: het was koud en mistig en hij liep snel door de stad naar huis, toen zomaar ineens een engel op hem toe was gelopen en hem om wat geld had gevraagd. “Voor het slaaphuis”, had de engel gezegd, maar dat was natuurlijk maar een manier geweest om hem te testen. Hij had gelijk zijn hele portemonnee omgekeerd boven zijn opgehouden hand. Hoe kun je een verzoek van een engel Gods weigeren! De engel had iets onverstaanbaars gemompeld en was weer doorgelopen hem verbouwereerd achterlatend. Sindsdien waren de engelen steeds weer in allerlei gedaanten aan hem verschenen. De ene keer was het een juffrouw achter de kassa van de supermarkt, de andere keer een politieagent die met zijn handen op de rug over straat kuierde. En nu had er dus eentje in een voorbijrijdende bus gezeten. Steeds meer engelen verschenen op steeds meer plaatsen. Hij voelde dat er iets bijzonders aan de hand was. Er was iets op til; het zinderde om hem heen. Er zou binnenkort iets heel bijzonders gebeuren.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Engelen

O

Het woordje O overdacht zijn lange, lange bestaan. Hij bestond al zo ontzettend lang, dat hij zich de eerste keer dat hij uitgesproken was niet eens meer kon herinneren. Hij hoopte eigenlijk dat hij de eerste keer was uitgesproken uit verbazing. Verbazing over iets verwonderlijks of iets moois of misschien wel uit verbazing over het feit dat je iets kon zeggen en dat het dan iets betekende; in het geval van O dus bijvoorbeeld verbazing.

O was op veel manieren uitgesproken en ontelbaar vaak gebruikt en, zo vond hij zelf, ook wel eens misbruikt. Het ergste vond hij het als hij achteloos werd uitgesproken, als iemand zo tussen neus en lippen zei: “O, nou gewoon….”. Dan voelde O zich altijd een beetje smoezelig, alsof hij zich in geen weken gewassen had.

Het mooist vond O het als hij gebruikt werd in een gedicht. Hij herinnerde zich veel gedichten waarin hij voorkwam en hij kon ze allemaal citeren. “O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer”, mompelde hij zachtjes voor zich uit en “Voorbij, voorbij en o, voorgoed voorbij”. Hij huiverde en zoals altijd vormde zich een dikke traan in zijn oog telkens als hij zichzelf uitsprak: “o….” “…o…
Hij was zelfs wel eens in popliedjes gebruikt: “Another lonely day with no one here but me, o”. Eigenlijk, zo vond O was dat nou precies de essentie van poëzie dat “o”.

O zuchtte en was tevreden. Hij had een mooi leven en zoals het er nu voorstond zou hij nog heel lang leven. Hij vroeg zich af of hij eigenlijk wel ooit zou verdwijnen, of hij zou worden vergeten, niet meer gezegd, niet meer geschreven, niet meer gedicht. Hij kon het zich eigenlijk niet voorstellen, maar hij hoopte dat hij als hij dan moest verdwijnen, als hij dan uiteindelijk toch dood zou gaan, dat hij dan op iemands lippen mocht besterven.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor O

Geen tijd voor haast……

Er was eens in een land hier ver vandaan in een dorpje dat niet zo erg verschilt van het dorpje waarin jij woont, een vrouwtje dat Klein Klaske heette. Ze heette Klein Klaske omdat ze, je raadt het al, erg klein was. Klein Klaske woonde helemaal alleen aan de rand van het dorp in een klein huisje met maar een kamer. In die kamer stond alles wat ze nodig had: een tafel, een stoel en een kachel. In de muur van de kamer zaten een paar grote deuren en als je die deuren opendeed dan zag je de bedstee waarin Klein Klaske placht te slapen. De muren van de kamer van Klein Klaske waren helemaal van boven naar beneden behangen met tekeningen. Het waren er wel meer dan honderd. Al die tekeningen waren gemaakt door Klein Klaske zelf. Klein Klaske had zolang het de mensen heugde altijd een heleboel dieren in en om het huis gehad en al die dieren had ze ooit getekend. Er hingen tekeningen van hanen, kippen, konijnen, poezen, musjes, kraaien, honden en zelfs van spinnen en kakkerlakken, want Klein Klaske was niet kieskeurig.

De mensen in het dorp vonden Klein Klaske wel een beetje vreemd. Dat kwam natuurlijk omdat ze zoveel dieren had en omdat ze alleen woonde, en misschien ook wel een beetje omdat ze zo klein was – mensen vinden de meest vreemde dingen vreemd -, maar eigenlijk vonden ze haar het meest vreemd omdat ze zich nooit druk scheen te maken. Nooit zag je Klein Klaske ergens snel naar toe hollen. Nooit probeerde ze bijvoorbeeld om als eerste bij de bakker te zijn, om de meest verse broodjes te bemachtigen. Nooit werd ze betrapt op “gauw nog even het huis aan kant maken voor het weekend”, of op “snel in twee happen haar brood opeten, omdat ze te laat was opgestaan”, of al die andere dingen die gewone mensen elke dag wel honderd keer even snel doen. Klein Klaske deed de dingen nooit snel of gehaast. Ze deed alles rustig en met aandacht en dat vonden de mensen in het dorp heel erg vreemd, want alle andere mensen hadden wel altijd verschrikkelijke haast.

Een heel enkel keertje had iemand in het dorp er tegen haar wel eens een opmerking over gemaakt. Toen ze een keer bijvoorbeeld op haar dooie akkertje over het pad naar de dorpspomp liep, had haar buurman, die altijd nog twee stappen harder liep dan anderen en die haar vanwege het smalle pad niet kon passeren haar eens toegesnauwd: “Mens kun je nou nooit eens opschieten”? Klein Klaske had een stapje opzij gedaan, hem vriendelijk toegeknikt en gezegd: “Nee hoor, ik heb helemaal geen tijd om me te haasten”. De haastige buurman was echter zo snel voorbijgelopen dat hij alleen maar “Nee, hoor ik heb helemaal geen tijd….”, hoorde. Dat vond hij wel een beetje een vreemde opmerking en hij moest er even over nadenken, maar hij stond er niet bij stil.
Een andere keer had de zoon van een andere buurman haar bijna omver gereden met zijn supersnelle brommer. Nog net op tijd, maar toch als altijd ongehaast, had ze een stap opzij gedaan. De jongen had haar toegesnauwd of ze niet kon uitkijken en wat sneller opzij kan gaan de volgende keer. Ook toen had ze geantwoord dat ze helemaal geen tijd had om zich te haasten, maar dat had hij helemaal niet gehoord, want hij was alweer een paar honderd meter verder, toen Klein Klaske nog maar halverwege haar zin was.

Op een dag net toen Klein Klaske doende was al haar dieren een voor een toe te spreken, te aaien en te vragen of ze nog iets nodig hadden, zag ze in de verte een broodmagere in het zwart geklede figuur de weg af hollen. Met wapperende mantel rende hij op haar toe. Toen hij bij haar was, moest hij even uithijgen, zo hard had ie gelopen. “Bent u de vrouw die bekend staat onder de naam Klein Klaske?”, vroeg hij nog nahijgend. Aan het formele taalgebruik meende Klein Klaske te kunnen ontwaren dat ze met een ambtenaar van doen had en dus trok ze haar meest officiële gezicht en antwoordde ferm: “Jazeker, heerschap, dat ben ik”. “Mooi”, zei de zwarte figuur, “Kom dan maar snel met me mee, want ik heb verschrikkelijke haast”. Klein Klaske, keek de man aan, schudde haar hoofd en zij vriendelijk doch beslist: “Nee hoor dat doe ik niet, ik heb helemaal geen tijd voor haast en bovendien ga ik niet zo maar met vreemde mannen mee”. De vreemde figuur was duidelijk geërgerd want hij rolde met zijn ogen en klakte met zijn tong. “Ja sorry hoor”, zei hij, “maar daar kan ik even niets aan doen, ik heb haast en je moet met me mee. Je kent me trouwens best, want ik ben de dood en die kent iedereen.” “Maar waarom heb je dan zo’n haast”, vroeg Klein Klaske kennelijk niet onder de indruk van het feit dat ze oog in oog met de dood stond. “Ik heb nooit haast, want daar heb ik geen tijd voor en dat bevalt met heel goed, ik ben er best oud mee geworden al zeg ik het zelf”. De dood blies zijn wangen bol, kauwde op zijn dunne onderlip. “Tja”, zei hij, “waarom heb ik haast, nou onder meer omdat ik vandaag in dit dorp verschillende mensen moet ophalen. Je buurman krijgt zometeen een hartverlamming en de zoon van een andere buurman heeft zojuist een brommerongeluk gehad, eigenlijk ben ik daar al te laat. En verder moet ik nog naar verschillende dorpen in de omtrek, dan is er vandaag in China nog een aardbeving en zo kan ik nog wel even doorgaan. Ga nu maar gauw met me mee, tegenstribbelen helpt toch niet.” “Ik stribbel ook niet tegen”, zei Klein Klaske,”ik ga zo met je mee, ik ga me alleen niet haasten, ik ga eerst goeiedag zeggen tegen al mijn dieren. Ik heb geen tijd voor haast.” Ze draaide zich om en liep naar haar huisje. De dood stond perplex. Dit had hij nog nooit meegemaakt. Mensen wilden meestal niet met hem mee. Sommigen verzetten zich heftig, anderen verzonnen allerlei smoesjes. Maar dit had nog nooit iemand tegen hem gezegd. Hij dacht na over wat Klein Klaske gezegd had: “Ik heb geen tijd voor haast.” De dood vond het eigenlijk nog niet zo’n slechte gedachte. Hij vond het wel een prettig idee om eens even niet te hoeven hollen en vliegen. Die aardbeving in China kan nog best een dagje wachten eigenlijk, dat had geen haast. De dood moest een beetje giechelen bij het idee. Hij ging zitten op een omgevallen boom en keek eens om zich heen. Mooi dorpje wel, vond hij. Lekker weer ook: het zonnetje scheen uitbundig, de vogeltjes zongen; er zoemden bijtjes door de appelbloesem, heerlijk. Langzaam sukkelde de dood in slaap. Eventjes werd er op de wereld niet gestorven.

Na een poosje kwam Klein Klaske ongehaast als altijd terug. Ze schudde de dood wakker: “Zo”, zei ze, “nu ga ik met je mee.” De dood stond op, rekte zich uit en bood Klein Klaske zijn arm. “Zullen we dan maar?”, zei hij, “maar wel rustig aan hoor, het is mooi weer en eigenlijk heb ik ook geen tijd om me te haasten”. Klein Klaske stak haar arm door die van de dood en samen beenden ze al keuvelend de weg af.

Geplaatst in verhaal | Reacties uitgeschakeld voor Geen tijd voor haast……